Boerderijen & Hooibergen - Blaricum Vroeger en Nu

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:




Boerderijen
Co Breman: Dorpsgezicht te Blaricum, 1899


In ’t Gooi zijn vrijwel alle boerderijen van het type hallehuis. In zijn meest elementaire vorm wordt het hallehuis gekenmerkt door een eenvoudige rechthoekige plattegrond, lage zijgevels en een steil zadeldak. De indeling is bepaald door de constructie van de boerderij. Deze is gebaseerd op een houtskelet.
Het belangrijkste constructieve element van een houtskelet is het gebint. Een gebint bestaat uit twee verticale stijlen, geplaatst op gemetselde of natuurstenen poeren, en met elkaar verbonden door een horizontale balk, de gebintbalk. Stijlen en gebintbalk zijn onderling geschoord door gebintbalkschoren of korbelen om te zorgen voor stijfheid in de breedterichting.
Een aantal gebinten achter elkaar noemt men het 'gebintwerk' van een boerderij. De opeenvolgende gebinten zijn met elkaar verbonden met gebintplaten die over de koppen van de stijlen liggen. De schoren tussen de stijlen en de gebintplaten zorgen voor de stijfheid in de lengterichting van het gebintwerk.
Gekoppelde dwarsgebinten
De simpelste vorm van de hallehuisboerderij is het los hoes, dat nog tot in deze eeuw in het oosten van Nederland voorkwam. Woon- en bedrijfsgedeelte vormden bij dit boerderijtype één, ongedeelde ruimte.

Er is een driebeukige opzet met middenlangsdeel en de smalle zijbeuken als potstal voor stalling van het vee. De oogstberging vond plaats op de slietenzolder boven de deel, op de woonhuiszolder en op de zolders boven de zijbeuken, de zogenaamde 'hilden'. De rest van de oogst werd opgeslagen in een kapberg (bij kleinere bedrijven alleen voor hooi, bij grotere ook wel voor rogge) of in een vrijstaande schuur.
De Gooise boerderij is een hallehuis van het zogenaamde Saksisch boerderijtype, dat wordt gekenmerkt door zijn langgerekte bouw met lage zijgevels. Het heeft net als het los hoes een driebeukige opzet met lage zijbeuken. De laaggeplaatste gebintbalk zorgt voor veel zolderruimte, namelijk de zoldertas, waarbij de oogst op de zogenaamde slietenzolder boven de middenbeuk kon worden opgeslagen.

Er ontstond de behoefte om het hooi voor de stalvoedering dichter bij het vee op te slaan. Op de middenlangsdeel werd een hooitas ingericht, maar die blokkeerde de deeldeuren in de achtergevel. Daarom werden de deeldeuren naar de zijgevel gebracht met daarachter een dwarsdeel. Aldus ontstonden reeds in de vorige eeuw de hallehuisboerderijen met dwarsdeel. De zijgevels waren te laag voor de deeldeuren.
 Daarvoor waren twee oplossingen:
 - de deuren werden teruggeplaatst, waardoor een 'baanderhoek' ontstond of
 - ter plaatse van de deuren liet men het dakschild opwelven. Beide opties zijn in de schets hieronder aangegeven.
Het bedrijfsgedeelte werd dan gedeeltelijk dwars ingedeeld. Achter het woonhuis lag de dwarsdeel met de baanderdeuren. Op de slieten boven de deel werd de rogge bewaard. In het achterste deel van de boerderij was de middenbeuk ingericht als hooitas en werden de zijbeuken ingenomen door de stallen voor het vee en paarden.

Vele boerderijen in Blaricum zijn nog behouden gebleven, maar de meesten zijn niet meer als zodanig in gebruik en omgebouwd naar woonhuis

Hooibergen

De hooiberg is een bergplaats met verstelbaar dak voor opslag van hooi, stro of koren. De hooiberg is al heel oud zoals blijkt uit talrijke afbeeldingen. Hieronder enkele voorbeelden van oude werken waarop een hooiberg staat.
Winterlandschap van Hendrik Averkamp uit ca. 1620.

Tekening van Rembrand uit 1650

Schilderij van Jacob van Ruysdael uit 1650

Hooibergen kunnen onderscheiden worden naar het aantal roeden (palen) dat is gebruikt. Er zijn hooibergen met één roede tot en met vijf; een enkele zelfs met zes roeden. In Blaricum komt de eenroeder en zesroeder niet voor.

Verder is er onderscheid op de indeling van de berg. Het hooi kan vanaf de bodem worden opgeslagen, (de gewone kapberg), of bovenop een verhoging (de tasvloer; hij wordt dan tasberg genoemd). In het laatste geval is onder de hooiopslag ruimte voor een stal of andere opslag.

In Blaricum staan nog relatief veel hooibergen ofschoon het aantal in de afgelopen eeuw sterk is teruggelopen. Rond 1940 stonden er nog meer dan 70, maar inmiddels is dat aantal ongeveer gehalveerd. Het is uniek voor Nederland dat er nog zoveel in de dorpskom staan. Nu de bergen in rap tempo verdwijnen om plaats te maken voor het moderne kuilen in plastic neemt het besef toe dat er wat moet worden gedaan om de hooibergen te behouden. Hieronder enkele voorbeelden van hooibergen in Blaricum.

Een 4-roeder met houten roeden en rieten dak aan de Eemnesserweg.
Deze hooiberg is ca. 75 jaar oud en een rijksmonument
Een 5-roeder met betonnen palen en rieten kap aan het Fransche pad



Een 3-roeder met metalen roeden en vijfkantig golfplaten dak aan de Stachouwerweg

Een 4-roeder met metalen roeden en golfplaten zadeldak

Een 3-roeder met metalen roeden en zeskantig golfplaten dak.
De hooiberg dateert van 1935 en is gebouwd door smederij Van de Bergh.
Hieronder de windwijzer van Van den Bergh, boer met paard, in close-up.

Voor meer detailleerde informatie over hooibergen in het algemeen en de Blaricumse situatie wordt men verwezen naar de Historische Kring Blaricum, welke een speciaal hooibergnummer uitbracht in de zomer van 2007 (deelgenoot nr. 54). Dit is een uitgave met medewerking van Suzan Jurgens, de Nederlandse expert op het gebied van hooibergen.
 
Copyright 2015. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu